Naast temperatuurbepaling met thermometer kan dit ook door de textuur te beoordelen. De verschillende graden zijn:

  • Kleine draad (108°C/86°R). Bij het plaatsen van een druppel suiker tussen duim en wijsvinger, zal deze bij het uitrekken een zwakke draad vormen die direct afbreekt.
  • Draad (110°C/88°R). Zoals voorgaand punt, maar een sterkere draad met meer samenhang.
  • Kleine vlucht (112°C/89,5°R). Door een klein ijzerlusje in de suiker te dopen en hier tegen te blazen, ontstaan kleine afzonderlijke suikerblaasjes die direct verdwijnen.
  • Grote vlucht (113°C/90,5°R). Zoals voorgaand punt, maar er ontstaan meerdere blaasjes, die eventueel als een ketting aaneen hangen (kettingvlucht).
  • Slappe bal (116°C/93°R). Er vormt zich een zacht bolletje wanneer een in koud water gedoopt stukje hout in de suiker is gedoopt.
  • Stijve bal (122,5°C/98°R). Zoals voorgaand punt, maar er vormt zich een steviger bolletje.
  • Kleine kraak (125°C/100°R). Suiker waarin wordt gebeten blijkt nog te kleven.
  • Grote kraak (144°C/115°R). Bij dopen van suiker in koud water, wordt deze hard, breekt als glas en kleeft niet meer.
  • Karamel. De kleur verandert naar lichtgeel.
  • Kleur. De suiker wordt steeds bruiner, naarmate er meer water verdampt.