Bij het bereiden van eierkoeken zijn twee soorten te onderscheiden:

Doorsnee eierkoek:

  • Meng het ei met de eidooiers, de suiker en eventueel citroenrasp en klop dit op tot een standige massa is ontstaan.
  • Zeef de ammonium samen met de tarwebloem en spatel door de eiermassa.
  • Verwerk het beslag door het op gesmeerde bakplaten te scheppen of spuiten.
  • Bestuif de eierkoeken met poedersuiker en bak direct af op 250°C.
  • Steek de eierkoeken na het bakken direct los.

Brabantse eierkoek:

  • Los de ammonium op in het water of in de karnemelk.
  • Voeg het ei, de basterdsuiker en eventueel citroenrasp toe aan het vocht en meng het geheel goed.
  • Zeef de tarwebloem. Bij het toevoegen van water in plaats van karnemelk, moet het melkpoeder samen met de tarwebloem gezeefd worden.
  • Voeg de gezeefde tarwebloem toe en klop het geheel glad. Beslagen met karnemelk kunnen direct verwerkt worden, terwijl het beslag met water ±24 uur gekoeld bewaard moet worden.
  • Verwerk het beslag door het op gesmeerde bakplaten te scheppen of spuiten en bak af op 250°C.
  • Steek de eierkoeken na het bakken direct los.