Afhankelijk van de grootte van het recept en het gewenste formaat van de croissant, zullen de maten waarop het deeg wordt uitgerold verschillen. Vaak wordt een lengte van 15-20 centimeter, een breedte van 10-15 centimeter en een dikte van ongeveer 0,5 centimeter aangehouden per driehoek.

  • Rol het gekoelde, getoerde gistdeeg uit tot een vierkante of rechthoekige plak. Als voorbeeld wordt een deegstuk van 50 bij 40 centimeter gehanteerd, waaruit plakjes worden gesneden van 12,5 centimeter breed en 20 centimeter lang.
  • Trim de randen van de deegplak bij als deze niet recht zijn.
  • Snijd de deegplak in het midden in de lengte door, zodat er twee deegplakken van 20 bij 50 centimeter ontstaan.
  • Maak op de bovenste lange zijde van de deegstukken om de 12,5 centimeter markeringen in het deeg.
  • Maak op de onderste lange zijde van de deegstukken op 6,25 centimeter de eerste markeringen. Vervolgens wordt er om de 12,5 centimeter een markering gezet.
  • De markeringen liggen nu schuin tegenover elkaar zodat er driehoeken ontstaan. Snijd aan de hand van de markeringen de driehoeken uit het deeg.
  • Koel de deegplakjes eventueel voorafgaand aan het vormen.