De kastanje (Castanea) is een geslacht van loofbomen, dat in Nederland niet van oorsprong voorkomt, maar van nature uit het Middellandse Zeegebied komt. De eerste verspreiding naar Noord-Europa vond plaats rond 200 voor Christus. Later werden de bomen verder verspreid door de Romeinen. In Nederland komt de tamme kastanje (Castanea sativa) voor. De paardenkastanje (Aesculus hippocastanum) is giftig en behoort officieel niet tot hetzelfde geslacht, maar lijkt wel op de tamme kastanje.

De gelijknamige vrucht van de kastanjeboom bestaat uit een noot die in een stekelige bolster zit. De bolster barst open wanneer de vruchten rijp zijn of een tijd op de grond hebben gelegen. De kastanje heeft een harde bruine schil, met daaronder een dun bitter smakend vlies. Het vruchtvlees is het eetbare deel van de vrucht en heeft een zoet tot bittere en romige smaak.

Kastanjes kunnen rauw, geroosterd of gekookt worden gegeten. Het roosteren van kastanjes versterkt de nootachtige smaak. Geroosterde kastanjes kunnen als noten worden gebruikt, waarbij ze goed combineren met chocolade. Door ze te koken, kan kastanjepuree worden gemaakt. Gedroogde kastanjes worden gemalen waardoor kastanjemeel ontstaat. Dit kan als (glutenvrije) vervanger voor bloem worden gebruikt.