De grapefruit (Citrus x paradisi) is een subtropische citrusvrucht die is ontstaan uit een kruising tussen de pompelmoes en de sinaasappel. Het uiterlijk lijkt op de pompelmoes met de kleuren van een sinaasappel. De redelijk dikke schil is geel tot lichtoranje van kleur met, afhankelijk van het ras, wit, rood of roze vruchtvlees dat in segmenten is verdeeld. De smaak van de grapefruit is zuur met een bittere ondertoon.

De grapefruit komt net als andere citrusvruchten van oorsprong uit Azië, maar de kruising zelf is ontstaan in Jamaica, waar het tot aan het einde van de 19e eeuw voornamelijk als sierplant werd geteeld. De plant wordt 5-6 meter hoog, heeft dunne en donkergroene bladeren. De naam is afgeleid van de manier waarop de vruchten groeien, namelijk op eenzelfde manier als trosjes druiven (grapes).

De grapefruit wordt veel toegepast in diëten, in de veronderstelling dat ze de stofwisseling en vetverbranding bevorderen. Het sap blokkeert enzymen in de dunne darm, waardoor de medicijnen anders worden opgenomen en bij regelmatig eten ongunstige effecten kunnen hebben. De schil wordt gekonfijt gebruikt in citronade. Het vruchtvlees of sap kan worden gebruikt in verschillende banketproducten en ijs.