De granaatappel (Punica granatum) is een vrucht die groeit aan een zes meter hoge struik met doornige takken. Granaatappels komen van oorsprong uit Perzië en worden al eeuwenlang rond de Middellandse Zee, het Midden-Oosten, Afghanistan, India en de Kaukasus geteeld. De vrucht is rond, ter grootte van een grapefruit (8-12 cm) en heeft een leerachtige gladde schil. Een rimpelige schil geeft aan dat de vrucht ouder is en minder vocht bevat.

Het vruchtvlees bestaat uit veel individuele cellen van ±3 mm groot. Deze granaatappelpitjes bestaan uit donkerrood, sappig vruchtvlees omhuld door een stevig laagje. De smaak van het vruchtvlees kan zoet of zuur zijn, maar de meeste vruchten hebben een matige zoete smaak met zure tonen. De witte vellen tussen het vruchtvlees smaken bitter.

Granaatappelpitjes kunnen worden verwerkt als vulling of ter decoratie in banketproducten. Het loshalen van de pitjes kan gemakkelijk door de vrucht eerst in te vriezen, de pitjes laten dan sneller los van het witte vel. Granaatappels kunnen worden uitgeperst, waarbij het sap voor verschillende banketproducten kan worden gebruikt. Dit sap is ook verkrijgbaar als fruitpuree. De granaatappel kan met verschillende smaken worden gecombineerd, zoals chocolade, noten of ander rood fruit.