Kantelingen komen waarschijnlijk van oorsprong uit Leiden en zijn de voorloper van de kletskop. Een andere benaming voor de kletskop is schorftenhoofd, wat minder smakelijke associaties heeft, aangezien hiermee een huidziekte wordt bedoeld die vooral kinderen trof. De kanteling werd in 1602 al beschreven en was een geliefd koekje onder Leidse studenten. Hier was het ook onderdeel van een bakproef, die een gezel moest afnemen, om tot meester worden opgenomen in het bakkersgilde.

Later is het oorspronkelijke recept van kantelingen langzaam overgegaan in kletskoppen, waarbij de verhoudingen tussen suiker en bloem werden bewaard. Er werd water toegevoegd voor een goede vloeibaarheid op de bakplaat en extra amandelen, zodat het koekje beter smaakte en oogde. In de oorlogsjaren werd er, bij gebrek aan amandelen, havermout gebruikt. Zo is uiteindelijk het koekje ontstaan zoals het vandaag de dag bekend is. Een dun, zeer krokant en breekbaar koekje, met een donkere kleur van gekarameliseerde suiker en een lichte smaak van amandelen. Vaak worden er ook specerijen, zoals kaneel, aan het beslag toegevoegd. Eenmaal gebakken hebben de koekjes een lange houdbaarheid, mits ze in een goed sluitende verpakking worden bewaard.