Bij hoge temperaturen zal het deeg zich anders gedragen, omdat de deegtemperatuur zich moeilijker laat beheersen. Met name in bakkerijen waar er geen klimaatcontrole is, zullen er bij hogere omgevingstemperaturen aanpassingen moeten worden gedaan. Het openzetten van deuren en ramen om frisse lucht in de bakkerij te krijgen, wordt minder aangeraden. De tochtstroom die hierdoor kan ontstaan, kan problemen opleveren voor het kruim. Belangrijk is om de deegtemperatuur en de procesomstandigheden op elkaar af te stemmen, zodat de temperaturen elkaar meer tegenmoet komen en er minder kans is op verwerkingsproblemen in bijvoorbeeld de bollen- of puntenkast.

Het omlaag brengen van de deegtemperatuur kan resulteren in condensvorming op het deeg, omdat het temperatuurverschil te groot wordt. Het deeg kan daardoor gaan kleven. De deegtemperatuur kan beter enigszins worden verhoogd, waarbij het gistpercentage wordt verminderd. Bij elke 1°C dat de deegtemperatuur toeneemt, moet de gist met 10% worden verminderd. Hierdoor kan dan dezelfde rijstijd worden behouden. Let hierbij wel op de deeghuid. Bij een hogere deegtemperatuur kan deze sneller gaan uitdrogen.