Vlaaien met een te dikke bodem worden tijdens het bakken minder snel gaar en hebben door de te dikke korst een minder prettige afbeet. Vlaaien met een dunne bodem zullen sneller breken onder het gewicht van de vulling. Mogelijke oorzaken voor een te dikke of dunne bodem zijn:

  • Onjuist afwegen van het deegstuk. Door een te zwaar of te licht deegstuk af te wegen, zal deze bij het uitrollen te dik of te dun worden. Het gewicht per deegstuk voor een doorsnee vlaaipan van 28 cm is ongeveer 350 gram.
  • Het deegstuk is onregelmatig uitgerold. Door een deegstuk met de hand uit of na te rollen, kan het op sommige plaatsen dikker of dunner uitgerold zijn. Maak gebruik van een uitrolmachine die goed is afgesteld en rol de deegstukken zo min mogelijk na om onregelmatige diktes te voorkomen.
  • Het deegstuk is slordig gefonceerd. Door het hard aandrukken wordt het deeg op de plaats van aandrukken vaak te dun en hoopt het zich op in de randen, waardoor te dikke plaatsen deeg ontstaan.  Let bij het aandrukken op dat dit voorzichtig en gelijkmatig gebeurt zonder het deeg te beschadigen.